De onbekende patiënt in de weekenddienst

Weekenddienst

Vanwege mijn onzekerheid met acuut zieke patiënten start ik mijn weekenddienst in de hoop dat het rustig blijft. Al vroeg word ik gebeld over een voor mij onbekende patiënt op de revalidatie-afdeling van het ziekenhuis waar ik als aios ouderengeneeskunde stage loop. Een warrig verhaal van de verpleegkundige maakt me bezorgd, dus ik vertrek onmiddellijk.

De 91-jarige patiënt heeft onlangs een pacemaker gekregen, met als complicatie een klaplong. Gisteren is hij stabiel overgeplaatst naar onze afdeling. De verpleging, die de man ook niet kent, vindt hem kortademig en versuft.

Pingpongen

Ik tref hem aan met een onregelmatige ademhaling die ik niet kan plaatsen en hij is niet aanspreekbaar. We besluiten per direct te starten met vernevelen en het geven van extra zuurstof. Ik overleg met mijn supervisor en er volgt ‘gepingpong’ tussen verschillende specialisten. De cardiologie-assistent vindt dit een probleem van de longgeneeskunde. De longarts staat vast in de lift, dus adviseert hij mij om de IC-arts in consult te vragen. Wanneer de IC-arts arriveert blijken onze interventies effectief maar zodra hij de afdeling verlaat, stort de patiënt weer in. Ik twijfel of ik de patiënt nog zal laten beoordelen door een cardioloog of longarts, maar ik voel een blokkade. Ik wil weten wat patiënt zelf zou willen, maar met hem zelf is nu niet te communiceren. Hij heeft geen nabije familie en er blijken geen beleidsafspraken te zijn vastgelegd. Ik vraag een longfoto aan en bel zijn thuiszorgmedewerker, de enige contactpersoon die hij heeft.

Ondankbaar

De thuiszorgmedewerker geeft aan dat zowel hij als de patiënt in de afgelopen weken een snelle achteruitgang hebben bemerkt en dat de patiënt daarom een testament heeft opgesteld. Ze hebben een goede band met elkaar opgebouwd, hij heeft hem vaak bij ziekenhuisafspraken ondersteund, maar medische beslissingen wil hij, namens de patiënt, niet nemen. Ik bel een tweede thuiszorgmedewerker en deze adviseert mij om niet alles uit de kast te trekken. Patiënt vertelde haar deze week nog dat hij elke dag teleurgesteld is dat hij wakker geworden is, want “Zijn motortje is op…” Het vooruitzicht is het verpleeghuis en ze verwacht niet dat hij daar ooit zal aarden. Ondertussen is de longfoto gemaakt die een forse longontsteking laat zien. Ik bel de longarts, ondertussen bevrijd uit de lift. Hij bevestigt mijn conclusie, geeft aan dat er geen plek op zijn afdeling is en adviseert de patiënt te behandelen voor zijn aspiratiepneumonie.

Via de tweede thuiszorgmedewerkster kreeg ik het telefoonnummer van een nicht van de patiënt. Haar schets ik mijn dilemma: haar oom heeft recent een pacemakeroperatie ondergaan, maar uit de informatie die ik nu heb, lijkt een terughoudend beleid mij gepast. Ik stel de vraag die blijft rondspoken: waarom heeft deze 91-jarige man nog gekozen voor een pacemaker? Zijn nicht antwoordt: na vele doktersbezoeken vanwege wegrakingen, bleek een pacemaker de enige zinvolle therapie. Weigeren van deze operatie zag hij als ondankbaarheid jegens zijn artsen, dus aanvaardde hij de risico’s. We spreken af om geen antibiotica te geven, totdat we hem zelf hebben kunnen spreken. Ondertussen is het avond. De nicht bladert samen met haar oom in een prachtig militair fotoalbum. Hij lijkt helderder dan vanochtend en ik vraag of hij zich kortademig voelt. Hij antwoord dat hij moet poepen. Wanneer hij onze verwarring opmerkt, denkt hij dat we hem niet goed hebben verstaan en roept: “POEPELEPEE!”. Ik betwijfel of ik met deze man een beleidsgesprek kan voeren, maar waag een poging.

De hemel

“U heeft een zware longontsteking en ik wil u behandelen voor uw kortademigheid.” Hij antwoordt: “Dat hoeft niet hoor”. Ik leg uit dat we hem kunnen proberen te genezen met antibiotica, maar dat we ook kunnen kiezen om alleen zijn klachten te verminderen en dat ik verwacht dat hij daarna snel zal sterven. Dat laatste lijkt hem wel wat. Zijn nicht knikt berustend en zegt dat ze dan bij deze afscheid neemt. Terwijl de verpleging de medicatie pakt, blijf ik bij hem zitten en bekijken we foto’s uit zijn diensttijd, foto’s met kameraden, foto’s met blokfluit. Ik vraag of hij nog ergens behoefte aan heeft. Het gesprek verloopt steeds trager en na een minuut zegt hij: “Dokter… ik ben niet katholiek hoor”. Ik neem aan dat hij doelt op een laatste sacrament en vraag hem waar hij dan wel in gelooft. “Ik ben protestants, dan geloof je in de hemel.” Ik antwoord dat de kans groot is dat hij binnenkort aan zijn reis naar de hemel gaat beginnen. Hij krijgt een ondeugende blik op zijn gezicht en antwoordt: “Ik denk het niet”.

Ik wens hem een goede reis. Hij overlijdt die nacht. Ik besef dat ik prima om kan gaan met acuut zieke patiënten en ben blij dat ik de tijd kreeg om deze patiënt hierin te begeleiden.

Febe Verelst is aios ouderengeneeskunde.

Deze blog verschijnt tegelijkertijd in het Tijdschrift voor Ouderengeneeskunde.